Minister Vijlbrief kondigde eind juli een sectoraal uitzendverbod voor de vleesverwerkende industrie aan. Hij had de sector tot dat moment de tijd gegeven om orde op zaken te stellen, maar zag onvoldoende verbetering in de situatie van uitzendkrachten die in de sector werken. Het aangekondigde uitzendverbod moet medio 2028 ingaan. Van 3 juli tot en met 28 augustus konden belanghebbenden via een internetconsultatie reageren op het voorgenomen verbod.
Uitzendsector: verkeerd instrument voor een reëel probleem
De ABU en NBBU erkennen in hun reacties de ernst van de misstanden in de vleesketen. Toch vinden de brancheorganisaties dat een algemeen uitzendverbod het probleem niet zal oplossen. De ABU verwoordt dit als volgt: “Het verbod laat misstanden niet verdwijnen, het verschuift ze.”
Beide organisaties wijzen erop dat de verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden nu al bij de inlener ligt. De inlener is als materiële werkgever verantwoordelijk voor de dagelijkse leiding en het toezicht op de werkvloer. Een andere contractvorm verandert volgens ABU en NBBU op zichzelf niets aan die verantwoordelijkheid.
Het belangrijkste bezwaar van de uitzendsector heeft betrekking op de timing van het verbod. Op 1 januari 2027 treedt de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) in werking. Met dit toelatingsstelsel worden uitleners structureel gecontroleerd op ruim honderd normen, variërend van de betaling van het wettelijk minimumloon tot huisvesting volgens de normen van Stichting Normering Flexwonen.
Wanneer vleesbedrijven vanaf medio 2028 geen uitzendkrachten meer mogen inzetten, vallen deze arbeidsrelaties buiten de reikwijdte van de Wtta. Daarmee verdwijnt volgens de brancheorganisaties juist het controlemiddel dat malafide partijen van de markt moet weren.
De ABU heeft het voorstel daarnaast getoetst aan de Europese Uitzendrichtlijn. De organisatie concludeert dat het uitzendverbod niet doelmatig, noodzakelijk of proportioneel is.
Zowel de ABU als de NBBU vreest bovendien voor een waterbedeffect. De behoefte aan arbeidskrachten verdwijnt immers niet. De dienstverlening rond werving, vervoer en huisvesting kan daardoor verschuiven naar partijen en arbeidsconstructies die buiten het toezicht van de Wtta en bestaande keurmerken vallen.
Als alternatief pleiten de brancheorganisaties voor een individueel inleenverbod voor specifieke malafide bedrijven, gerichte handhaving en meer capaciteit voor de Nederlandse Arbeidsinspectie.
VNG heeft grote zorgen over de uitvoering
Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft gereageerd op de internetconsultatie over het uitzendverbod in de vleessector. De VNG neemt geen standpunt in over de vraag of een sectoraal verbod het juiste instrument is. De vereniging herkent de problematiek echter wel: gemeenten worden al jaren geconfronteerd met de gevolgen van misstanden rond arbeidsmigranten.
Net als de ABU en NBBU plaatst de VNG kanttekeningen bij de onderbouwing en uitvoerbaarheid van het voorstel. De vereniging wijst erop dat gemeenten niet zijn betrokken bij de voorbereiding van het besluit. Veranderingen in de arbeidsrelatie van arbeidsmigranten kunnen echter directe gevolgen hebben voor huisvesting, leefbaarheid en maatschappelijke opvang.
Een belangrijk aandachtspunt is de huisvesting van arbeidsmigranten. In de toelichting bij het besluit wordt ervan uitgegaan dat veel uitzendkrachten na invoering van het verbod rechtstreeks in dienst treden bij hun huidige inlener. Het besluit bevat echter geen overnameplicht of werkgarantie.
Gemeenten zien nu al problemen met dakloze arbeidsmigranten. Zij vrezen dat het uitzendverbod zonder aanvullende waarborgen tot meer dakloosheid kan leiden, vooral tijdens de overgangsperiode in 2028.
Ook de VNG waarschuwt voor een verschuiving naar andere arbeidsconstructies, zoals contracting en schijnzelfstandigheid. Gemeenten zien daar volgens de vereniging nu al signalen van.
Daarnaast zet de VNG vraagtekens bij de vergelijking met Duitsland die het kabinet in de toelichting gebruikt. Het Duitse verbod is aanzienlijk breder en sluit ook zzp-constructies en contracting uit. Daardoor gaat de vergelijking met het Nederlandse voorstel volgens de VNG niet op.
Tot slot vindt de vereniging de geplande evaluatie na vier jaar te laat. De gevolgen voor huisvesting en dakloosheid kunnen zich direct na invoering voordoen. Volgens de VNG moeten deze effecten daarom vanaf de inwerkingtreding van het uitzendverbod worden gemonitord.
FairWork: uitzendverbod is een noodzakelijke stap
Stichting FairWork is wel positief over het voorgenomen uitzendverbod voor de vleessector. De stichting zet zich in voor eerlijke arbeidsomstandigheden en een rechtvaardige behandeling van arbeidsmigranten en noemt het verbod een belangrijke en noodzakelijke stap.
FairWork ontvangt meldingen van uitzendkrachten in de vlees- en pluimveesector over onder meer onderbetaling, intimidatie, onrechtmatige uithuiszetting en het innemen van identiteitsdocumenten. Volgens de stichting heeft zelfregulering door de sector onvoldoende resultaat opgeleverd.
Toch vindt ook FairWork dat een uitzendverbod alleen niet voldoende is. De stichting pleit daarom voor aanvullende maatregelen, waaronder stevige handhaving en het loskoppelen van werk en huisvesting.
Vervolg van het uitzendverbod in de vleessector
De internetconsultatie is inmiddels gesloten. Naast de genoemde organisaties hebben tientallen andere bedrijven en organisaties gereageerd, veelal vanuit de vleesverwerkende sector. Ook zij staan overwegend negatief tegenover het voorgenomen uitzendverbod.
Of deze reacties de minister op andere gedachten brengen, is nog maar de vraag. Een internetconsultatie is niet in de eerste plaats bedoeld om voor- en tegenstanders van een besluit te tellen, maar vooral om de kwaliteit en uitvoerbaarheid van een reeds genomen politiek besluit te verbeteren.
Minister Vijlbrief zal de regeling, mogelijk in aangepaste vorm, later dit jaar ter behandeling voorleggen aan de Tweede Kamer.
